14 December 2019
 

Pagode-land

Toegevoegd: 3 december 2006

Bagan, 18 tot en met 25 november 2006

De tri-shaw chauffeur die ons naar de boot brengt in Mandalay, zegt zachtjes 'This boat is very expensive'.

'Yes, it is, but it is a private boat, that is why we take it' fluister ik terug.

'You know, our government is very smart. They know some tourists don't want to spend money on the Goverment. This boat was a govermentboat, but they sold it to a person within the government, so now it is officially a private boat, they can raise the price and they still get your money'. Ik ben er even stil van. Wat?

'Oh' zucht ik 'If I knew this before, we would have taken the bus'. De chauffeur knikt en zegt dan 'Sorry, I cannot discuss the policy of our government any further, it is very dangerous'. Ik knik terug en zeg nog vlug 'I know'.

Zes en twintig dollar kost een booticket naar Bagan. De overheid is ons hier te slim afgeweest. De passagiers zijn allemaal blank. Vooral veel Fransen en Duitsers komen naar Myanmar. De paar Myanmarezen op de boot zijn gidsen die bij een tourgroep horen.

De boottocht over de Ayeyarwady rivier is heel relaxed. Het is een kleine passagiersboot met een airco-benedendek met luxueuze stoelen. Op het bovendek zijn wat rieten stoelen, helaas allemaal direct ingenomen door de tourgroeptoeristen. We pendelen heen en weer tussen het dek en onze aangewezen luxueuze stoel. We passeren na een klein half uurtje Sagaing, dat er vanaf de rivier indrukwekkender uitziet dan vanaf het vaste land. Dan volgt een hele tijd niets. Het land lijkt droger en stoffiger te worden, met enkel aan de rivieroever wat groen. Zo nu en dan passeren we een nederzetting van vissers. Hun onderkomens bestaan uit niet meer dan tentvormige hutten. De kano's, hun belangrijkste bezit, liggen aan de oever. Elke keer wanneer we een dorpje passeren, komen de kinderen uitgelaten gillend naar de rivier gerend. Sommigen plonsen in het water, anderen stappen snel in een kano om te dansen op de golven die onze boot achterlaat.

We maken twee korte stops, waarbij ik me zeer ongemakkelijk voel. Bij de eerste stop waden vrouwen tot aan hun borst in het water, manden met koopwaar op hun hoofd. Hun ogen flitsen met een begerige, wilde blik, langs de verschillende verdiepingen van de boot. Ik besef dat het aanmeren van de toeristenboot het moment is voor hun om wat geld te verdienen. Misschien wel het enige moment van de dag. De tourgroeptoeristen vinden het prachtig en leunen over de reling om naar de vrouwen te zwaaien. Bij de tweede stop, die ook niet meer dan vijf minuten duurt, bieden vrouwen op de aanlegsteiger doeken aan. Kleine jongens spatten poedelnaakt in het water rond. In eerste instantie hebben ze gewoon pret. De toeristen gaan uit hun dak. Fantastisch! Een van de toeristen gooit een snoepje in het water. Ze schateren het uit als alle jongens op het snoepje duiken. Een Duitse man naast ons vind het zo grappig dat hij er nog een schepje bovenop doet en wat geld in het water gooit, zijn camera klaar om het perfecte plaatje te schieten. Ik ben er gewoon misselijk van. Zijn wij dan de enigen die zien dat de onschuldige pret die de jongetjes hadden, opeens verandert in begerigheid, een bitter gevecht om dat ene muntje? Zijn wij de enigen die begrijpen dat deze mensen zo arm zijn, dat ze er alles voor over hebben om dat muntje te pakken te krijgen. Sorry, daar vind ik echt niets grappigs aan.

Ik ben blij als we Bagan naderen. De zon gaat net onder en laat de honderden pagodes, die vanaf de rivier al te zien zijn, gloeien in het avondlicht. Het is een prachtige aankomst. Zodra we op de oever staan, worden we aangeklampt door souvenierverkopers en voor het eerst in Myanmar, vervelende souvenierverkopers. Tot nu toe vond ik zelfs de touts in Inle Lake aardig. We hebben een kamer gereserveerd in Golden Village Inn tegen onze gewoonte in en onder zachte dwang van de hoteleigenaar in Mandalay. Het is niet voor niets. Alle budgethotels in Nyaung U zitten vaak vol. De man die ons komt ophalen, zegt dat we een ticket moeten kopen voor de archeologische zone, waar Bagan in ligt. Weer tien dollar per persoon die in de zakken van de overheid verdwijnt. We kunnen er niet onderuit komen. We struikelen bijna over de ticketoffice. Mopperend betalen we. Het was geen goede dag voor ons, wel een goede dag voor de overheid van Myanmar.

Drie dagen lang tussen de pagodes

De eeuwenoude en nieuwe pagodes liggen verspreid rond Bagan en Nyaung U. Het is waar het om gaat in Bagan. Pagodes, pagodes, pagodes en nog eens pagodes. Ik ga je niet vermoeien met het beschrijven van de 12 pagodes die we hebben bezocht. Dat kan gewoonweg niet. Bagan moet je zien om de enorme kracht die van de honderden pagodes uitgaat te geloven. Om het gevoel te herkennen wat je krijgt als je vanaf een terras om je heen kijkt en niets anders ziet dan droge, stoffige vlaktes met acaciabomen en pagodes, pagodes en nog meer pagodes.

Een wirwar van zandpaden verbinden de belangrijkste pagodes met de dorpen Oud Bagan (duur), New Bagan (middenklasse) en Nyaung U (budget). 

Toeristen worden op verschillende manieren vervoerd: per luxe airco-bus voor de tourgroeptoeristen, per taxi voor de toeristen zonder tijd, per paardenkar en per fiets. De laatste twee vervoersmiddelen worden door de budgetreizigers gebruikt. Ook door ons. Een dag delen we een paardenkar met Patricia (uit de USA/Vietnam). Ons paard heet Mika en ziet er gelukkig gezonder uit dan de meeste magere scharminkels die we rond zien stappen in Nyaung U. De jongen die de kar bestuurd, kan nauwelijks Engels en zodoende ben ik zijn naam nooit te weten gekomen. Marnix en ik lounchen in de kar, terwijl Patricia liever voorop zit naast de bestuurder. Hij brengt ons naar een pagode, waar we allemaal stil van worden: Gubyaukgyi. De tempel is gebouwd in 1113. De pagode is wit van buiten. De duizend jaar die voorbij zijn gegaan heeft zijn sporen achtergelaten in de vorm van mos en schimmel, afgebrokkelde stenen en sierwerk. De pracht van de pagode zijn de gangen rond het beeld van Boeddha. Een vrouw licht de muren bij met een sterke lamp. De fresco's zijn subliem en goed bewaard gebleven. In het Pyu, Mon, Oud Birmeens en Pali zijn inscripties gemaakt. Volgens de LP moet je Ananda Pahto bezoeken, als je maar tijd hebt voor een pagode. Ik durf gerust de Gubyaukgyi pagode aan te raden.

Nou heeft de LP een punt om de Ananda Pahto aan te raden. Deze tempel heeft de meest indrukwekkende Boedha in Myanmar (voor in ieder geval het deel dat wij gezien hebben). Bij binnenkomst in deze tempel, gebouwd tussen 1090 en 1105, kijkt de metershoge (negen en een halve meter om precies te zijn), staande Boeddha op je neer. Zijn blik is indringend en dwingt je bijna op de knieen.

Het binnenste van de tempel bestaat uit twee rondgangen. In de muren zijn honderden nissen, waarin Boeddhabeeldjes staan. De kleuren zijn sober, de ramen hebben de vorm van kerkramen in een oude Katholieke kerk. Het plafonds is hoog en gewelfd. We gaan zitten in een van de gangen om de hele sfeer op ons in te laten werken. Misschien heeft de LP toch wel gelijk om de Ananda Patho te bezoeken als je weinig tijd hebt, of toch de Gubyaukgyi? Ach, als je maar zo weinig tijd hebt, sla dan Bagan maar over. Bagan verdient op zijn minst drie volle dagen van je tijd.

Yeti's spotten

Ik wil nog graag naar Mount Popa, voordat we Bagan (Nyaung U) verlaten. En maar om een ding: daar lopen yeti's rond. Twee Fransmannen, het type wilde haardos, bierbuik en zachte blik in de ogen, willen ook wel mee. We delen de taxi. Wat we niet weten is dat we opeens een toeristisch toertje aan het doen zijn. We stoppen namelijk bij, jawel, een fabriekje onderweg. Een palmsuikerfabriek dit keer. Die hadden we nog niet gehad, dus kan weer aan ons lijstje 'bezochte fabrieken/boerderijen' worden toegevoegd.

Een koe trekt een vijzel aan dat sap uit het rietsuiker perst. Het duurt twee uur voordat al het sap er uitgeperst is. De koe slijt een keurige cirkel in de grond rond de vijzel gedurende deze twee uur. De man legt het hele proces uit en we luisteren beleefd. Ik wil natuurlijk helemaal geen uitleg over hoe palmsuiker wordt gemaakt. Ik wil yeti's zien.

Na een half uurtje kunnen we weer verder. Op Mount Popa, een steile, smalle rots, staat een tempel gebouwd. De rots lijkt onbeklimbaar zonder klimuitrusting, maar de bewoners hebben het voor elkaar gekregen een trap naar boven te bouwen. We beginnen de klim direct na aankomst. Kleine aapjes bewonen de trappen en azen op nootjes. Een jongen staat op zijn bezem geleund en vraagt om een donatie voor het schoonmaken. Ik trek mijn wenkbrauwen op en zeg dat ik boven in de tempel wel een donatie achterlaat. 'That is not the same' roept hij ons na. Eventjes verderop staan kleine jochies klaar om een donatie voor het schoonmaken te vragen. Hun bezems staan in een hoekje tegen een muur geleund. Ik heb zowel op de heen- als de terugweg geen van deze jongens ook maar eventjes zien vegen. Boven op de top zijn meedere tempels gebouwd. Zodra we een voet binnenzetten, wijst iemand ons direct op de donatiebox. Of nog beter natuurlijk, wil iemand ons geld wel handje contantje hebben. Hij staat naast een donatiebox en met een glimlach gooi ik onze donatie in de box. Zijn glimlach verdwijnt een beetje, maar hij mompelt toch nog zoiets als 'dankjewel'. Het valt zwaar tegen. Het uitzicht is niet bijzonder, de begerigheid van de tempelbewakers, de tempels vind ik niet mooi en tot overmaat van ramp is er geen yeti te zien. Nee, ik bedoel niet het half-mens- half-dier-wezen dat ergens in de Himalaya moet rondzwerven, maar kluizenaarsmonniken met puntmutsen, die in grotten rond en op Mount Popa moeten leven.