14 December 2019
 

Waterwereld

Toegevoegd: 3 december 2006

Nyaungshwe, 6 tot en met 11 november 2006

Het is even doorbijten, maar dan heb je ook wat. De bus doet er 21 uur over om in Nyaung Shwe te komen. Geradbraakt komen we aan. Nu kun je ook vliegen of met de trein, maar beide zijn van de overheid. Met onze keus om naar Myanmar te gaan, hebben we wel met elkaar afgesproken om zo min mogelijk geld uit te geven aan de overheid. Dus zitten we 21 uur in een bus.

Nyaung Shwe is een dorp, dat omgeven wordt door kanalen, die drie kilometer verderop in het Inle meer uitkomen. Het dorp zelf bestaat uit weids opgezette straten met voornamelijk losstaande huizen. De bewoners maken een verlegen indruk, ondanks de vele toeristen die het dorp aandoen.

We slapen in het Joy Hotel, dat aan een kanaal staat. Vanaf het gemeenschappelijke balkon, waar het ontbijt wordt geserveerd, kunnen we genieten van het leven op het water. Lange, gemotoriseerde kano's varen af en aan. De een is zwaarbeladen met grote rieten manden boordenvol tomaten, de ander is een taxiboot waar monniken, Pa-O vrouwen met de karakteristieke theedoeken om hun hoofd gebonden en schoolkinderen in zitten, die in Nyaung Shwe moeten zijn.

Toeristisch toertje op het water

Een 'must' is natuurlijk om zelf een boottocht op het meer te maken. Met twee Duitse vrouwen, Monica en Monica, stappen we in de boot. De motor wordt gestart door aan het touw te trekken. Het geluid lijkt misschien wel het meest op een oude stoomtrein. Toch heeft de motor kracht. Zodra we buiten het dorp zijn, maken we snelheid en schieten we door het water. Zodra we het kanaal uit zijn en het Inle meer opvaren, wacht een visser ons op om zijn grote truc te doen: het beenroeien. Om de armen wat rust te geven, slaat hij zijn been om de peddel om zijn kleine kano toch vooruit te laten komen. Het is echt een showtje wat hij weggeeft. Al snel merken we dat bijna elke visser die we tegenkomen, snel overgaat tot beenpeddelen, in de hoop een kleine vergoeding te ontvangen voor zijn kunsten.

We varen langs drijvende tomatenkwekerijen en velden van waterhyacinten en lelies. Vrouwen in kleine kano's meren aan bij de strook tomatenplanten om de rijpe exemplaren te kunnen plukken. De tomatenplanten groeien op een soort dijkje van klei, dat vruchtbaar wordt gemaakt door het wier van het meer. Ingenieus!

Even later komen we door het eerste drijvende dorp. Huisjes, van hout of gevlochten bamboematten, staan op palen midden in het water. Even hun huis uitlopen kan niet, alles gebeurd hier per kano. Ook op bezoek gaan bij de buren. Een enkele kat zit te soezen in de zon op het aanlegsteigertje bij een woning. De bewoners hoeven in ieder geval nooit bang te zijn dat hun kat verdwijnt. Ik weet niet hoeveel kano's met toeristen per dag door dit dorp komen tuffen, maar het lijken er niet veel gezien de reactie van de mensen. Ze leunen uit de ramen om naar ons te zwaaien. Kinderen, die het getuf horen, snellen naar het aanlegsteigertje en staan op en neer te springen om onze aandacht te trekken. Tussen de 'gewone' woonhuizen, staan ook winkels, waarvan de aanlegsteiger precies voor de toonbank gebouwd is. De winkelaar hoeft zijn kano niet uit te komen om iets te kopen. We hebben nog nooit zo'n waterdorp gezien.

Ons toertje wordt daarna echt toeristisch. De ene fabriek na de andere doen we aan. Onze bootman krijgt commissie als we alleen even binnenstappen. De zijdefabriek, waar op drie verdiepingen vrouwen ingewikkelde patronen in de zijde aan het weven zijn om er sjaals van te maken, is het meest interessant. In de messenfabriek laten bezwete mannen om de beurt hun hamers op een gloeiend heet stuk metaal neerkomen om het om te vormen tot een mes. Bij de parasolfabriek krijgen we zowaar een van te voren ingestudeerde uitleg over het proces van papier maken. De zilversmid heeft dollartekens in zijn ogen als we binnenstappen en in de sigarenfabriek rollen wel erg jonge meisjes, keurig in een rij opgesteld, goed voor de foto's, sigaren zolang er toeristen in de buurt zijn. Zodra de toeristen weer de boot instappen, stoppen ze met hun werk.

Als we denken alle fabrieken nu wel gehad te hebben, meren we aan bij een souvenierwinkel. Aan de overkant staan prachtige witte pagodes (stupas) in het water. Maar dat is niet de reden dat we stoppen. In de winkel zitten vier Karenvrouwen (de zogenaamde 'langnek' vrouwen) achter hun weefgetouw. Ik schaam me dood als ik de winkel binnenstap, maar kan aan de andere kant mijn ogen niet van ze afhouden. Ons toeristisch toertje op het water krijgt nu toch wel een akelig hoog 'aapjes kijken' gehalte. Ik vermoed dat de vrouwen overgebracht zijn vanuit hun leefgebied aan de grens met noord-Thailand als de attractie. Hoe dan ook, ik sta daar een beetje lomp midden in de winkel toe te kijken hoe andere toeristen uit hun dak gaan met het fotograferen van deze prachtige vrouwen. Een van hen, met een mooi fijn gezicht, ziet me zo ongemakkelijk staan en breekt de spanning door te roepen: 'Hey, you are very beautiful!'. Ik schiet in de lach en roep terug 'I don't think so, I think you are very beautiful!'. Ze schiet ook in de lach en wenkt me. Ik ga op de grond zitten en ze laat me zien wat ze aan het maken is. Haar engels is vrij goed. Ik durf haar geen vragen stellen. Waarschijnlijk stelt iedereen die vragen, zoals: 'Doet het nu zeer al die ringen?' of 'Wanneer kreeg je je eerste ringen om?'. Maar ik wil het wel graag weten en stel ze later stiekum aan de verkoopster. Het antwoord op de eerste vraag is: 'Nee' en op de tweede vraag: 'Vanaf hun achtste of negende jaar, na elke drie jaar wordt een nieuwe ring omgedaan'.

We stoppen hierna nog een keer, bij de 'Jumping Cat Monastery' oftwel het Nga Hpe Chaung klooster. Lijkt me onnnodig nog te vermelden dat dit klooster op palen in het meer staat. De monniken die hier wonen hebben een eigenaardige hobby. Ze hebben hun tientallen katten geleerd om door hoepels te springen. Hiermee hebben ze zoveel faam gekregen, dat hun klooster nu deze bijnaam heeft en opgenomen is in elk toeristisch toertje. Wij gaan ook even kijken. Een zeil op de vloer geeft aan waar de katten hun optreden gaan geven. Toeristen stromen binnen en zoeken een plekje op de grond. Tientallen katten liggen lui te suffen op het zeil. De enige monnik die we zien, ligt er net zo lui bij als de katten, zij het in een ligstoel. Ik aai een grote, dikke, grijze kater over zijn buik, die zich direct al ronkend op zijn rug draait. Met de beste wil in de wereld kan ik me niet voorstellen dat dit luie zwijn voor me door een hoepel gaat springen. Maar iedereen kan zich vergissen. Zelfs deze dikkerd springt. Niet zo hoog en maar een keer, maar goed genoeg om een snoepje als beloning te krijgen. En daar doen alle katten het voor. Het hele gebeuren duurt nog geen drie minuten. De katten krullen zichzelf weer op en wij gaan het klooster zelf nog maar even bekijken.

We tuffen daarna in een keer terug naar Nyaung Shwe. Rozig van een hele dag op het water zijn, ploffen we neer in onze stoelen op ons balkonnetje. We nemen ons voor om nog een boottocht te doen, maar dan zonder fabrieken of Karenvrouwen.

Honderd stupas

Twee dagen later stappen we weer in een boot. We leggen de bootman uit dat we rechtstreeks naar Indein willen varen. Opnieuw mindert hij vaart bij de eerste visser die we tegenkomen op het meer. De visser is al enthousiast zijn beenpeddeltruc aan het uitvoeren, als wij gebaren om door te varen. De visser kijkt ons een beetje beteuterd na. Daar gaat zijn extra verdiensten.

Indein is een dorp aan de rand van het meer. Niet het dorp zelf maar de Shwe Inn Thein is de reden dat we ernaar toe willen. Het bestaat uit honderden oude stupas, die op en rond de heuveltop staan. Een kleine tempel staat in het midden. Enkele van de stupas zijn in ruines verandert, anderen hebben de weersinvloeden goed weerstaan. Het is een bizar gezicht dat gebied met stupas, elke stupa weer anders van vorm en grootte. Ze zijn ooit gebouwd door mensen die door deze goede daad, iets dichter bij de 'verlichting' wilden komen (in het Boeddhistische geloof is 'verlichting' het uiteindelijke doel). We proberen de geijkte weg via de souvenierstalletjes te vermijden, door tussen de stupas door te lopen. Ik mis een uitkijkpunt waar ik zicht heb op alle stupas bij elkaar. Dat zou een enorme impact hebben. Zodra ik er tussendoor ga lopen, is die kracht weg. Marnix denkt hier anders over. Hij is zo enthousiast dat we uiteindelijk anderhalf uur tussen de stupas door blijven dwalen.