14 October 2019
 

Hoogtepunten op het hoogste punt

Toegevoegd: 5 oktober 2006

Naar Mount Everest Base Camp, 20 tot en met 25 september 2006

In zes dagen en vijf nachten gaan we per jeep naar Mount Everest Base Camp en weer terug naar Lhasa. Hieronder lees je per dag wat we gezien en beleefd hebben.

Turkooisblauw meer en witte stupa

Op 20 september verlaten we Lhasa om 8.30 uur in de ochtend. De zon heeft nog geen kracht en het is kil en mistig. Donkere wolken hangen boven de stad. Het ziet er niet naar uit dat we mooi weer gaan hebben deze dag. We zijn allemaal moe en in de auto wordt niet veel gepraat. Onze eerste stop is bij een van de heilige meren van Tibet: Yamdrok-Tso. We zijn dan van 3600 meter naar 4990 meter hoogte gestegen.

Vanaf de Kamba-La pas zien we beneden ons het turkooisblauwe meer liggen, omgeven door bergreeksen van meer dan 7000 meter hoog. Het is koud op de pas. Een ijzige wind waait dwars door ons heen. Ik klim op de top van de berg en sta verbaasd om me heen te kijken. Hoe kan een land toch zo mooi zijn? Yamdrok-Tso is enorm groot, maar toch verdwijnt het langzaam. Het meer heeft geen natuurlijke toevoer van water en de Chinese overheid pompt het meer langzaam leeg om energie op te wekken.

Rond de parkeerplaatsen voor auto's en bussen is een groot toeristisch circus aan de gang. Je kunt op de foto, tegen betaling natuurlijk, met een opgetuigde yak of een hond en zelfs met een hertje met strik om zijn nek. De souvenierstalletjes staan in rijen om de parkeerplaats heen. We moeten ons best doen om alleen het meer op de foto te krijgen of een rustig plekje te vinden om ongestoord van het uitzicht te genieten. Na een uurtje ronddwalen op deze pas, voelen we ons licht in het hoofd. We beginnen de hoogte te voelen.

We slapen die dag in Gyantse, waar we tegen 17.00 uur arriveren. Onze chauffeur, Mimo, zet ons bij de Pelkor Chode Monastery af. Echt relaxed rondkijken is er niet bij. De monniken jagen ons steeds op door te zeggen dat het bijna sluitingstijd is. Het is jammer, want van wat ik van de hoofdtempel en de Gyantse Kumbum zie is het zeer de moeite waard. In de hoofdtempel is een van de vertrekken totaal gewijd aan de 'Protectors'; gevaarlijk uitziende Boeddha's die mensen beschermen tegen kwade invloeden. De deuen zijn zwart geschilderd en versierd met tekeningen van doodshoofden. In het vertrek zelf staan de vier 'Protectors' en aan het plafond hangen hun maskers, die tijdens speciale festivals gebruikt worden in de dansen. De Kumbum is een grote witte stupa, die in de Culturele Revolutie grotendeels is vernield. In de stupa zijn 77 tempels te bezichtigen, maar omdat er nu echt een monnik achter mijn broek aanzit, zie ik er misschien maar vijf. De stijl van deze stupa is beinvloed door Newari, oftewel Nepalese kunst en dat is te zien aan de twee ogen die aan de buitenkant van de bovendste verdieping geschilderd zijn. Het is zo jammer dat we hier niet langer kunnen rondlopen. De Kumbum was de reden waarom we Gyantse wilden zien. Het is het grote nadeel van een georganiseerde tour; je hebt maar een beperkte tijd om iets te zien.

Terug in de tijd

In de ochtend bezoeken de jongens het fort uit de veertiende eeuw. Ik blijf beneden. Meestal vind ik forten en kastelen mooier van de buitenkant dan van de binnenkant. Marnix is ook niet erg enthousiast als hij terug komt na een uurtje. Het fort deed dienst als bescherming van de stad tegen de inval van Britse troepen in 1904. Op de weg naar boven, is Marnix een hilarisch bord tegen gekomen dat zegt: 'Jump of cliff' en met een pijl naar beneden wijst. Na u graag!

In het museum wordt duidelijk dat op dat punt de Tibetaanse soldaten van de berg afsprongen als ze in handen van de Britten dreigden te vallen. Liever de dood tegemoet dan in Britse handen dus.

Tegen 14.00 uur komen we in Shigatse aan. Rod gaat als enige de Tashilhunpo Monastery binnen. Wij willen als we terug in Lhasa zijn, op eigen gelegenheid proberen aan de Nepalese grens te geraken. We komen dan in ieder geval weer langs Shigatse en kunnen zonder tijdslimiet de monastery bezoeken. We bezoeken in plaats daarvan de oude Tibetaanse wijk. De wijk bestaat uit oude huisjes van wit steen en de daken van stro. Smalle kronkelende steegjes verbinden de huisjes met elkaar. Op de zware houten deuren met grote koperen kloppers, hangen gebedsvlaggen en sjaaltjes geknoopt. Het is alsof we terug in de tijd gaan. Twee schoolmeisjes denken dat we verdwaald zijn en pakken ons bij de hand om ons regelrecht naar de hoofdstraat te leiden, waarna ze ons enthousiast uitzwaaien. We moeten een beetje lachen. Ze begrijpen vast niet dat we het juist leuk vinden om in de oude wijk rond te dwalen. Het is ondertussen ook tijd om terug naar de auto te gaan. Mimo staat al ongeduldig te wachten. We moeten nog naar Lhatse, een lange straat met vooral veel Chinese gebouwen, reizen.

Zwoegend hogerop

Marnix en ik liggen nog heerlijk te slapen onder onze zware dekens als Mick op de deur bonkt. Mimo wil vertrekken om zo vroeg mogelijk in Ronghpu te zijn. We graaien vlug onze spullen bij elkaar en springen in de auto. Na drie uur rijdenpasseren we de Gyatso-La pas van 5220 meter hoog. Ik ben de enige die Diamox slikt, een medicijn dat helpt om je lichaam sneller te laten acclimatiseren. Jarrod, de Zuid-Afrikaan waar we een tijd mee hebben gereisd heeft het me gegeven. Na mijn Ganden-ervaring, ben ik toch een beetje huiverig geworden voor hoogteziekte. Daarnaast geldt ook dat als je georganiseerd gaat reizen en een iemand uit de groep krijgt hoogteziekte, de anderen ook mee terug naar beneden moeten. Ik wil gewoonweg niet degene zijn waardoor iedereen terug moet. Het medicijn lijkt te werken. Ik wandel zonder problemen over de pas rond. Het weer is guur en dehele pas en de vallei is bedekt met een laagje sneeuw. Een vrouw, in vodden gekleed, komt op haar goedkope gympen de pas opgelopen. Ze is bloedmooi. Ze laat me haar handen zien, die knalrood van de kou zijn en vraagt om handschoenen. Ik heb maar een paar bij me en sta even te twijfelen, maar ik weet dat ik ze zelf net zo hard nodig heb straks. Ze laat nog een keer haar handen zien en dan zie ik dat de huis tussen haar vingers gebarsten en bloederig is van de kou. Ik geef haar een beetje geld. Hopelijk gaat ze er handschoenen van kopen. In Shegar is de sneeuw verdwenen.We stoppen even voor een laat ontbijt en gaan dan snel weer door.

De rit naar Rongphu is spectaculair. De weg draait en kronkelt naar boven en beneden. Op de Pang-La pas van 5120 meter hoog, kan je de Mount Everest en de Cho Oyu reeks al zien, op een goede dag en dat geluk hebben wij niet. Alle toppen zijn in dikke grauwe wolken verpakt. Om 15.00 uur komen we in Rongphu aan. Rongphu ligt op 4980 meter hoogte en kan zich de hoogste monastery ter wereld noemen. Het klooster laten wij even voor wat het is. We trekken onze ijsmutsen over onze oren en gaan direct op pad naar Mount Everest Base Camp. Onze grote rugzak kan gelukkig mee op een paardenkar met andere toeristen.

Het is acht kilometer lopen naar Base Camp, waarbij we alleen maar 220 meter stijgen, maar op meer dan 5000 meter hoogte is dat heel zwaar. De ijle lucht bevat weinig zuurstof en dat merken we. Mijn hart lijkt als een razende tekeer te gaan om alle organen nog van zuurstof te voorzien. Zo nu en dan moet ik even gaan zitten om tot rust te komen. We zwoegen door, stap voor stap en dan zien we om een bocht de witte tenten van Base Camp. We zijn er bijna! Ik loop op mijn laatste tandvlees, maar haal Mount Everest Base Camp! De weg is aan beide kanten volgebouwd met witte tenten waar je kunt slapen. Voor de tenten staan kleine tafeltjes met wat souveniers. In het midden van de straat, is zelfs een postkantoor waar je voor een belachelijke 35 yuan een kaartje naar huis kan sturen 'Groeten vanaf Everest Base Camp'. Het echte Base Camp ligt nog een kilometer of twee verderop. Daar staan alle expeditietenten, maar om daar te komen moet je 50 dollar per persoon betalen. We nemen maar genoegen met het toeristische Base Camp. We kiezen de tent van Tsewa uit om te slapen en gaan eerst op zoek naar onze rugzak. Zodra we die gevonden hebben, puffen we uit op de bank  bij Tsewa, een schat van een meid. Ze is ongeveer 20 jaar en werkt keihard om haar familie te onderhouden. Het is 40 yuan per bed. 'Veel he?' zegt ze 'Ik kan er niets aan doen, dat zijn de regels van de overheid'. Ze zet een grote kan met jasmijnthee voor ons neer en gaat wat eten voor ons maken. We zijn te moe om nog even een rondje door Base Camp te maken. Er is trouwens niets te zien. Alle bergen verschuilen zich achter de donkere wolken. Zodra het donker is, wordt het ijskoud buiten. We kruipen rond de kachel die Tsewa opgestookt heeft met gedroogde yakvlaaien. Als een Chinese toeriste op de deur klopt en vraagt of ze kan blijven slapen, schudt Tsewa hard van 'Nee'. Ik kijk haar een beetje vragend aan,we zijn immers de enige gasten. Haar korte uitleg is zeer duidelijk: 'Chinese not good'.

Om 21.00 uur kruipen we in bed. Ik houd al mijn kleren aan, lig in mijn slaapzak en Tsewa gooit vier dekens over me heen. Dan zwaait de deur open en drie mannen en een vrouw komen binnen. 'Slapen jullie hier?' vragen ze, niet bepaald vriendelijk. 'Eeh, ja?' antwoorden we aarzelend. '80 yuan' zegt de vrouw en steekt haar hand uit. We begrijpen er niets van en sputteren tegen 'Maar Tsewa is de eigenaresse, waarom moeten we dat aan jullie betalen? Krijgt zij niets dan?'. Ze lachen ons recht in het gezicht uit en vragen nog een keer om de 80 yuan. Tsewa knikt ons toe met een blik van 'Geef maar'. We overhandigen de 80 yuan en nog steeds lachend verlaat het groepje de tent. Tsewa heeft de hele tijd ineengedoken op haar krukje voor de kachel gezeten. "Tibetaanse politie' zegt ze eindelijk 'Niet goed'. Ze verdient dus alleen maar geld aan ons als we bij haar eten. Het slaapgeld wordt simpelweg door de politie geind. Het ergste van allemaal is dat het Tibetanen zijn die andere Tibetanen een poot uitdraaien. Of ze nu Chinese regels uitvoeren of ze zelf verzonnen hebben, het blijft walgelijk. Tsewa merkt hoe geschokt we zijn en probeert ons op te vrolijken. We nemen ons voor steeds bij haar te eten en haar een fooi te geven. Ze pakt twee armbandjes van haar souveniertafeltje en doet er een om Marnix zijn pols en een om mijn pols. Wat een schat. Heerlijk warm en uitgeput val ik uiteindelijk in slaap. Marnix doet het met iets minder dekens, in plaats van vier heeft hij maar een deken nodig om warm te blijven.

 

Staren naar Mount Everest

Ik ben half wakker als ik iemand binnen hoor komen. Tsewa ligt nog diep te slapen. Ik denk dat het Marnix is en draai me nog even lekker om. Ik hoor vaag hoe Marnix iets uit een kleine rugzak pakten weer naar buiten gaat. Na een uurtje sta ik ook op en doe mijn warme regenjas aan. Zou de Everest te zien zijn? Wat een teleurstelling! De lucht is weer een groot grauw wolkendek en van de Everest is niets te zien. Marnix staat buiten met Rod te praten en samen bestellen we een ontbijtje bij Tsewa.

We hebben gelukkig de hele dag nog. Hopelijk klaart de lucht wat op. Tsewa ziet het somber in. Als het 's ochtends niet helder is, dan is de kans dat het later nog opklaart heel klein volgens haar. Wij geven de moed daarom nog niet op. Nahet ontbijt klimmen we de heuvel open zoeken een plekje uit. Van de berg is nog steeds niets tezien. Tientallen toeristen zitten al richting de Everest te staren. Ondertussen kletsen we wat met een Australische die met haar zoon van vijftien op reis is en met vier Nederlanders, die allemaal erg pro-Tibetaans zijn. Dan opeens lijkt de mist op te trekken en zien we de voet van de Everest verschijnen. Zou het dan toch nog gebeuren? We wachten en we wachten en we zien de mist steeds verder optrekken. Ongeveer een derde van de berg der bergen is nu te zien.  Vol spanning blijven we zitten. Ik kan de mist wel wegkijken. Mensen zitten letterlijk te smeken 'Ach, toe nou, kom tevoorschijn'. We schatten in dat de Everest nu tot ongeveer 6500 meter hoogte te zien en dan is het voorbij. In een paar seconden pakken dikke wolken zich weer om de berg heen. En weg is t'ie. Teleurgesteld lopen we de heuvel. We gaan proberen toch naar het echte Base Camp te lopen, maar na een kilometer worden we door een Tibetaan teruggestuurd onder bedreiging van een 50 dollar boete. We gaan maar weer thee drinken bij Tsewa. Na een uurtje gaan we weer terug naar de heuvel.Rod en Mick zitten er ook. Weer laat de Everest zich even zien, nu tot ongeveer 7000 meter. Maar na een half uur is het weer uit met de pret. Het zit er niet in vandaag. We gaan onze spullen pakken en drinken nog een kopje thee. Ik geef Tsewa mijn armbandje uit Dharamsala. Ze is er dolgelukkig mee. Waarschijnlijk denkt ze dat de Dalai Lama het armbandje gezegend heeft. We laten het maar zo; als ze daar moed uit put. Haar vriendin vraagt voorzichtig of we Dharamsala kennen. Ik knik en dan zegt ze 'Mijn familie woont daar en ik wil er ook naar toe'. Ik wil haar net vertellen over Dharamsala, als iemand binnen komt en ze het gesprek direct afbreekt. Ik baal ervan. Ik had haar zo graag een hart onder de riem willen steken.

We nemen afscheid van Tsewa met een dikke knuffel en zoenen van Mick, die we op het Everest Base Camp achterlaten. Rod's en onze tas wordt weermet een paardenkar naar beneden gebracht. Ik wil nog even vlug mijn zonnebril uit mijn tas pakken en kan hem niet vinden. Dan maar zonder. De weg terug naar Rongphu is een stuk makkelijker. We zijn er in anderhalf uur. Mimo begroet onsmet zijn grote stralende glimlach. De rest van de uurtjes dat het noglichtis, staren we de wolken van de Everest af vanachter het raam in het warme monastery cafe.

Die nacht slapen we in het guesthouse van de monastery. Het is erg basic en de wc's zijn zo smerig, dat de gaten de vloer geen gaten meer zijn. De stront komt als kleine Mount Everestjes boven de gaten uit. Als ik s' nachts naar de wc moet, weet ik wel dat ik ergens een hoekje buiten uitkies of een doos of emmer als ik de uitgang niet kan vinden. Dat laatste gebeurd natuurlijk, want niet alleen mijn zonnebril is onvindbaar, ook onze hoofdlamp is spoorloos. Dan herinner ik me dat ik iemand een tas hoorde openritsen. Dat was Marnix dus niet. Dat was een van de vele gelegenheidsdieven die op Everest Base Camp rondlopen. Maar beter mijn zonnebril dan de videocamera die ook in die tas zat.

Kilometers maken

De volgende ochtend vertekken we om 8.00 uur. Het is aan het vriezen en we blazen wolkjes uit als we uitademen. Het wordt een saaie lange dag. We rijden helemaal terug naar Shigatse. Mimo is een goede chauffeur. Hij rijdt rustig en als hij merkt dat we het beu raken stopt hij even. Meestal zijn er wel mensen in de buurt die ons dan gedag komen zeggen. Zoals op de laatste stop voor Shigatse, wanneer er drie leuke herdersjongens naar ons toe komen rennen. Ze zeggen alleen even gedagen willen best op de foto. Als we weer door gaan, stop ik ze vlug wat koekjes toe. Om een uur of 18.00 uur komen we in Shigatse aan en kunnen ons eindelijk weer eens douchen. En wat is een warme douche dan lekker zeg!

In de ban van de Bon religie

We hebben nog maar een bezienswaardigheid op de lijst staan. De Yungdrungling monastery. Het is dit keer een Bon monastery en dat bevalt Mimo helemaal niet. Met een nors gezicht rijdt hij ons er naar toe. Het heeft geregend en de rivier is breed geworden. Om bij de monastery te komen, moeten we er dwars doorheen. Mimo is net als vele andere Tibetanen bang voor de Bon religie. De Bon religie is de oorspronkelijke religie van Tibet en heeft veel overeenkomsten met Shamanisme. Het grote verschil met het Boeddhismeis het geloof en de verering van geesten, zoals rivier- en meergeesten en boom- en rotsgeesten.

De monastery ziet er van de buitenkant net zo uit als alle andere monastery's. Alleen moeten we dit keer tegen de klok in lopen en zijn er swastika's op elke deur geschilderd. Een dikke monnik ziet ons vanaf het dak aankomen en zwaait ons hartelijk gedag. Hij kan geen Engels maar vind het gezellig dat we langs komen. De hoofdtempel is prachtig. Overal staan beelden, hangen tangka's (Tibetaanse religieuze beschilderde doeken) en branden yakboterlampjes. Nog maar een handjevol monniken wonen hier, maar eens was het een van de grootste Bon monastery's van Tibet. De Chinese overheid heeft echterbepaald dat er nog maar 45 monniken mogen wonen.

Het dorpje onder aan Yungdrungling is zo pittoresk dat we Mimo vragen om er even te stoppen. Zijn gezicht staat op onweer, maar hij stopt de auto. We lopen door het prachtige dorpje, waar de inwoners ons verbaasd aankijken en groeten. Dat er zo nu en dan auto's doorheen rijden zijn ze gewend, maar niet dat er toeristen uitstappen. De rivier scheidt dit dorp van de grote wereld. Aan de andere kant van de rivier raast het verkeer richting Lhasa of Shigatse, maar het dorp ligt toch afgesloten van deze wereld. De bewoners zwaaien ons hartelijk uit en Mimo weet niet hoe snel hij weg moet komen. Pas halverwege Lhasa klaart zijn gezicht weer op. Het grote Bon gevaar is kennelijk geweken.