26 September 2018
 

In goede handen

Toegevoegd: 5 april 2006

Nairobi, 31 maart 2006

(vervolg van Nooduitgang naar Kenia)

De rolstoel staat er en een medewerkster van het Jomo Kenyatta vliegveld rolt me Kenia binnen. Ik kan me momenten herinneren dat ik op een leukere manier in Kenia aankwam. Alhoewel, in een rolstoel hoef je blijkbaar niet in de rij te staan en krijg je overal voorrang. Nog nooit ben ik zo snel door de paspoortcontroles, immigratie- en douaneposten gegaan. Voor we het weten staan we buiten. In de massa zoeken we naar bekende gezichten. Ze zijn er niet, althans wij zien ze niet. We wachten en wachten. Halverwege verruil ik de rolstoel voor de bagagekar. Marnix loopt steeds weer rond op zoek naar Koolic en Too. Na een uur besluiten we toch maar naar het Youth Hostel te gaan. Na wat onderhandelen komen we uit op een prijs die we allemaal acceptabel vinden en de chauffeur gaat zijn taxi halen. Marnix loopt nog een keer rond. Zijn ze er nou echt niet? De taxichauffeur komt voorrijden en tegelijkertijd hoor ik Marnix roepen. Koolic en Too! Daar zijn ze dan! Wat heerlijk om ze weer te zien. Enthousiast omarmen we elkaar. Ze hebben een uur vast gestaan in de beruchte traffic jam van Nairobi. Ze maakten zich al zorgen of we er nog zouden zijn.

We hebben nog steeds last van de traffic jam. We doen er twee uur over om bij het universiteitsterrein te komen. Hoewel mijn been begint te kloppen en heel pijnlijk is, ben ik dolgelukkig om weer terug te zijn in Kenia, om Susan en Amina (de verpleegster) weer te zien, om de kleine Loitemwa te zien, gewoon om weer terug te zijn. Amina hoort het verhaal aan en dringt erop aan dat we die avond nog naar het ziekenhuis gaan. Het ziekenhuis op het univeristeitsterrein is niet ver. Toch brengt Too ons met de auto. Amina en Susan gaan ook mee. Ze praten me moed in, ondersteunen me als ik de trappen op moet en leiden me af. Het is druk in het ziekenhuis. 'Altijd' zegt de vrouwelijke dokter 'Dus ook om 21.00 uur s'avonds'. De conclusie is duidelijk: die wond moet gehecht worden en ik krijg een tetanusprik. Terwijl we wachten tot ik aan de beurt ben, vragen de andere patienten en meegekomen familieleden wat er gebeurd is. Voor we het weten kletsen we gezellig, maken grapjes en lachen we ons door de wachttijd heen. Twee potige verpleegsters en de kordate arts stellen me gerust als ik op de behandeltafel lig. Vooral de verdovingsinjectie (recht in de wond) doet verschrikkelijk veel pijn, maar ik weet: No worries, hakuna matata, ik ben in goede handen. Ik ben weer thuis...