16 December 2018
 

Blinkertjesstad

Toegevoegd: 16 mei 2006

Bombay, 1 tot en met 6 mei 2006

Ik geef het eerlijk toe: ik zag als een berg tegen India op. Wanneer ik aan India dacht, kwamen de volgende associaties naar boven: vies, ziektes, diarree, schrijnende armoede, druk, lawaai, lastig en onrechtvaardig (vanwege het kastensysteem). De enige lichtpuntjes die ik zag, en mijn schrikbeeld iets minder konden maken waren het heerlijke eten en de India-zooi (slippers, spiegeltassen, tunieks, sieraden, wierook, sari's etc.) waar ik zo gek op ben.

De negatieve associaties overheersen als ik 30 april op het vliegveld van Nairobi sta, zeker versterkt door het altijd aanwezige trieste gevoel dat ik heb als ik afscheid moet nemen van Kenia.

Met de bibbers in mijn knieen, haal ik de volgende ochtend als we landen diep adem en stort mezelf voor mijn gevoel de 'hel' van Bombay in. Het valt zo ontzettend mee allemaal. Het vliegveld heeft de service 'pre-paid taxi's', waarbij je van te voren aan het loket betaald en geen vervelende verassingen aan het einde van de rit krijgt. Maar ik vertrouw het nog steeds niet helemaal. Ik ben dan ook verrast, aangenaam dat mag duidelijk zijn, als een drukdoenerig, grappig, baardmannetje op kromme pootjes onze taxichauffeur is, die zich tijdens de twee uur durende rit door Bombay zich ontpopt als een gezelligheidsdier en trots allerlei wetenswaardigheden over de stad verteld. De helft verstaan we niet. We moeten even wennen aan het accent.

De stad IS prachtig: mooie koloniale panden aan brede lanen met bomen langszij. Een soort mix van Parijs en Barcelona zeg maar. Het is druk, overal zie ik mensen en verkeer. Wat het meeste opvalt is het voortdurende getoeter van auto's, taxi's, rikshaws, motors, nou ja, alles wat een claxon heeft gebruikt die dus ook, continue. Het is een oorverdovend lawaai. Ook de armoede is zichtbaar en niet zoals in Afrika geconcentreerd in bepaalde wijken en gebieden. Ik zie bijvoorbeeld een huis waarvan de hele voorgevel ingestord is. Alle meubels kan ik zien staan. De mensen wonen in een permanent Big Brother huis; iedereen kan 24 uur per dag alles zien wat ze doen. Net zo bizar is het hutje, of beter gezegd tentje, dat opgezet is op een stoep van een straat. Er staat een bed in, de keuken is op straat en bestaat uit een paar branders en potten en pannen, maar het meest vreemde is de enorme tv die in de tent staat. In de metalen hekwerken die vaak voor de ramen van appartementen gemetseld zijn, hangen mannen verveeld naar buiten te kijken. De uitzichtsloosheid straalt van ze af. De tenten die aan de rioleringsbuizen bij de rivier zijn gespannen zijn het ergste. Deze mensen leven in het vuil van anderen en hun eigen uitwerpselen. Pure armoede.

Het is een stad met vele gezichten. Ik zie bouwvallige, halfingestorte huisjes en dan is er om de hoek het protserige Victoria treinstation. Mooi, groots en weelderig.

Hoe dichter we bij Colaba, de backpackerswijk, komen, hoe meer luxe shoppingmalls, kleurrijke sariwinkels en kraampjes met de bekende India-zooi we zien. Overal blinkert, glittert en schittert het.

De mensen van hotel Volga ontvangen ons hartelijk en als ik 's avonds van een Zuid-Indiase thali (soort rijsttafel) van nog geen euro en een sweet lassi van 40 eurocent zit te genieten, weet ik: met mij en India komt het wel goed.