21 October 2018
 

Op bezoek bij Tibetaanse vluchtelingetjes

Toegevoegd 12 juli 2006

Mc Leod Ganj, woensdag 21 juni 2006

Het is zo'n vier kilometer lopen naar het Tibetaanse kinderdorp. Nu is het klimaat in Mc Leod Ganj heerlijk om zulke wandelingen te maken, dus gaan we tegen elf uur op weg. Ik heb mijn knellende Nomadschoenen kunnen ruilen tegen een of ander paar wandelschoenen van Aziatisch makelij met de veelbelovende naam: Uplander. De wandeling leent zich er uitstekend voor om ze eens uit te testen.

Dat we graag naar het kinderdorp willen, komt door het boek 'Vlucht over de Himalaya' dat we allebei gelezen hebben. In dit boekt wacht een Duitse documentairemaakster aan de Nepalese grens een groep Tibetaanse kinderen op en filmt ze tot hun aankomst in Dharamsala.

Het kinderdorp staat open voor bezoekers . De man bij de poort vraagt wel of we ons willen registreren bij het kantoor naast het basketbalveld. De kinderen die we onderweg tegenkomen zwaaien verlegen. Een jonge Tibetaanse wil ons wel rondleiden. Ze is gekleed in de traditionele kledij van Tibet: een lange rok met hoogsluitende wikkelblouse, met daarover een schort. We gluren bij een schoolklas naar binnen. Een paar jochies kijken ons brutaal aan, anderen zwaaien schuchter en weer anderen besteden totaal geen aandacht aan ons. 'Ze zijn erg gewend aan de buitenlandse bezoekers' legt onze 'gids' uit. 'Begrijpen ze wel waarom er zoveel bezoekers voor ze komen?' vraag ik. Ze zegt dat ze altijd uitleggen dat de mensen die op bezoek komen hun een warm hart toedragen en dat de kinderen ook goed begrijpen waarom zij in India zijn en hun ouders in Tibet. Marnix vraagt of er ook psychische hulp aanwezig is voor de kinderen. 'Nee' zegt ze resoluut 'Dat is niet nodig. De Tibetaanse gemeenschap is zo hecht, dat we er onderling veel over praten en dat is genoeg om psychische problemen te voorkomen. Het enige is dat we merken dat net gearriveerde kinderen vlugger ruzie maken en drukker zijn dan de anderen. Maar na een tijdje vlakt dat af en worden ze rustiger.'

Ze laat ons een huis zien waar kinderen wonen van rond de tien jaar. Een jongentje roept stoer 'Are you from US?'. Zijn vriendjes laten ons de lsaapzaal zien en met z'n allen tellen ze hoeveel bedden er staan. Het huisje verderop is vor de allerkleinsten. Sommigen van hen zijn gebracht dor hun ouders, die daarna terug naar Tibet zijn gegaan, anderen zijn in een groep al lopend de Himalaya over gevlucht. Als we het erf oplopen, ligt een klein jochie van een jaar of drie op zijn rug op de drempel. Hij ziet de folder van het kinderdorp uit mijn rugzak steken en pakt hem eruit. Druk babbelend in het Tibetaans begint hij de folder door te bladeren. Ik ga op mijn knieen bij hem zitten en klets maar wat terug in het Engels. Het prachtige manneke probeert me iets duidelijk te maken. Dan klaart zijn gezichtje op en wijst hij op een foto in de folder waar een jongentje op schoot zit bij Goldie Hawn. Het is hetzelfde jochie! Met een brede grijns kijkt hij me aan en wijst op zichzelf.

Een verdrietig knulletje veegt net zijn tranen af en kruipt dicht tegen Marnix aan. We smelten helemaal weg. Met uitgestoken armpjes komt er nog zo'n drol van een ventje aanlopen. Ik til hem op en terwijl hij mijn kettingen bewondert, bekijken wij de slaapzaal van nieuwe ledikantjes en bergen speelgoed. Dan is het etenstijd en verzamelen zich alle ukkies rond een grote pan met prut. Sommigen, met een zeer hoog 'pak-maar-in-en-meeneem-gehalte' komen eerst nog een knuffel bij ons halen, voor ze zich op hun volgeschepte bordjes storten.

Geraakt door de warmte van dit kinderdorp, drinken we nog thee met onze 'gids'. Een betere en liefdevollere plek kunnen we ons voor deze kids niet voorstellen. Hier wordt ontzettend veel van ze gehouden. We laten dan ook een flinke donatie achter. De jonge Tibetaanse drukt ons op het hart vooral naar Tibet te gaan. 'De Tibetanen weten zich gesteund door de toeristen en hebben jullie bezoek hard nodig om vol te houden!'. We beloven haar om echt te gaan. Diep onder de indruk lopen we de vier kilometer terug naar McLeod Ganj.